Raf Walschaerts
‘Goeie vraag’, dacht de kleinste reus van de wereld, ‘Ben ik te klein om een reus, een échte reus te zijn?’ Hij stond op de toppen van zijn tenen, rekte zijn kleine reuzenlijf uit, dacht zichzelf zo groot hij kon, voelde de boomtoppen kriebelen onder zijn oksels, wist heel goed dat diezelfde boomtoppen bij de andere reuzen amper tot aan hun knieën reikten en dacht somber: ‘Te klein, veel te klein om een reus te zijn.’
Toen kwam een kabouter langs: ‘Hé reus! Ik zoek de schitterende waterval! Die kant of die kant?’ De kleinste reus ter wereld rekte zijn lijf, ging staan op de toppen van zijn tenen, keek even boven de boomtoppen in het rond, zag de schitterende waterval in de verte schitteren en zei: ‘Die kant!’
‘Dankjewel kleinste reus van de wereld!’, zei de kabouter, ‘Je bent de liefste reus van de wereld!’ ‘Graag gedaan’, mompelde de kleinste reus van de wereld.
‘De liefste reus van de wereld…’ Die woorden bleven hangen. ‘Zou het? Ik? Liever dan al die grote reuzen met hun knieën boven de boomtoppen?’ Hij zocht even naar zijn spiegelbeeld in de vijver en keek inderdaad, tot zijn eigen grote verbazing, recht in de zachte ogen van de liefste reus van de wereld! ‘Woooow’, fluisterde hij heel stil tegen zichzelf en groeide van de slag exact 1 metertje. Hij dacht toen nog een keer: ‘De liefste van de hele wereld’… Hij gaf zichzelf een schouderklopje…en groeide wéér een meter… schouderklopje… wéér een meter. En nog een keer en nog een keer en nog…
De reus rekte zich uit, ging op zijn tenen staan , zag de kabouter in de verte pootje baden bij de schitterende waterval, voelde de boomtoppen kriebelen aan zijn knieën, zuchtte heel diep en begreep plots hoe alles werkt.
